ECLI:NL:RBAMS:2016:8049

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
7 december 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1351
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens onduidelijke beroepsclausule

Opposant stelde beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift te laat was ingediend. Opposant stelde verzet in tegen deze uitspraak.

De rechtbank onderzocht of het buiten redelijke twijfel stond dat het beroep niet-ontvankelijk was. Opposant voerde aan dat de in het bestreden besluit opgenomen beroepsclausule onjuist en misleidend was, waardoor hij mocht vertrouwen op een verkeerde termijn en de overschrijding verschoonbaar was.

De rechtbank stelde vast dat het besluit op 12 januari 2016 was verzonden en de beroepstermijn tot en met 23 februari 2016 liep. Het beroepschrift was op 24 februari 2016 ontvangen, dus te laat. Echter, door de onjuiste formulering van de beroepsclausule mocht opposant erop vertrouwen dat de termijn tot 24 februari liep.

Hierdoor was de termijnoverschrijding verschoonbaar en stond het niet buiten redelijke twijfel dat het beroep niet-ontvankelijk was. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en hervatte het onderzoek in de stand van voor die uitspraak.

Er werden geen proceskosten toegekend en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 16/1351
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2016 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant.

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen van 7 januari 2016 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 20 mei 2016, verzonden op 25 mei 2016, heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Opposant is
verschenen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant onverschoonbaar te laat beroep heeft ingesteld.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. Opposant heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2016 aangevoerd dat hij vanwege de beroepstermijn zoals door verweerder onder het bestreden besluit is vermeld, is misleidt. Daarin staat aangegeven dat binnen zes weken na de dag volgend op die waarop het besluit is bekendgemaakt belanghebbenden hiertegen beroep kunnen instellen. Opposant mocht er volgens hem op vertrouwen dat deze termijn klopte, waardoor het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar dient te worden geacht.
5.1
Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. De rechtbank stelt vast het bestreden besluit op 12 januari 2016 is verzonden. De termijn voor het instellen van beroep liep dus tot en met 23 februari 2016. Het op 24 februari 2016 gedateerde beroepschrift heeft de rechtbank op dezelfde datum per fax ontvangen. Het beroepschrift, voor zover door opposant is betwist, is daarmee niet tijdig ingediend.
5.2
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
5.3
De rechtbank constateert dat de beroepsclausule zoals vermeld in het bestreden besluit niet correct is dan wel zeer onduidelijk is. De rechtbank leest de (zinssnede: “na de dag volgend op die” in de) beroepsclausule zo dat de termijn pas begint te lopen vanaf de tweede dag na bekendmaking. Hiervan uitgaande is de laatste dag van de termijn 24 februari 2016. Nu de rechtbank het beroepschrift van opposant op 24 februari 2016 heeft ontvangen en de termijnoverschrijding het gevolg is van een rechtens onjuiste beroepsclausule, is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden aan opposant niet zonder meer kan worden tegengeworpen dat hij te laat beroep heeft ingesteld. Immers, in beginsel moet een belanghebbende kunnen afgaan op de juistheid van aan hem verstrekte voorlichting. Indien een rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, mag daarop, behoudens kennelijke misslagen, uit een oogpunt van rechtszekerheid worden vertrouwd (zie in dit verband de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1042), waarin ook wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6500)). De rechtbank acht de termijnoverschrijding gelet hierop dan ook vooralsnog verschoonbaar.
6. Uit wat opposante heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dat stond namelijk niet buiten redelijke twijfel en dus kon de zaak niet zonder zitting worden afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak van
20 mei 2016 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.
7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier, op 29 november 2016.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.