ECLI:NL:RBAMS:2016:8671

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2016
Publicatiedatum
22 december 2016
Zaaknummer
AMS 16/7339
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WrbArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij bezwaar tegen afwijzing extra uren rechtsbijstand

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een aanvraag voor extra uren rechtsbijstand in een strafzaak. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek tot voorlopige voorziening dat is ingediend om deze afwijzing te schorsen.

De rechter stelt vast dat reeds een toevoeging is verleend en dat de rechtsbijstandverlener op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand verplicht is om de nodige rechtsbijstand te verlenen, ook als de extra uren niet worden toegekend. Hierdoor is gegarandeerd dat verzoeker niet verstoken raakt van rechtsbijstand.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het systeem van forfaitaire vergoedingen houdt rekening met variaties in tijdsbesteding, en eventuele correcties kunnen achteraf in bezwaar worden gemaakt.

Daarom wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 16/7339

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2016 in de zaak tussen

[verzoeker],te Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. R.A. Korver),
en
Raad voor de Rechtsbijstand, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag om toekenning van de extra uren in de strafzaak van verzoeker afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 in Pro samenhang met artikel 8:83 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2.1
Verweerder heeft de gemachtigde van verzoeker als rechtsbijstandverlener toegevoegd voor het verlenen van rechtsbijstand in een strafrechtprocedure waarin verzoeker slachtoffer is. Deze rechtsbijstandverlener heeft verzocht om toekenning van extra uren vergoeding en heeft namens verzoeker tegen de afwijzing daarvan bezwaar gemaakt.
2.2
Verzoeker stelt dat het standaard aantal uren dat wordt toegekend onvoldoende is, omdat de zaak feitelijk en juridisch complex is. Het spoedeisend belang zit hem daarin dat op 7 december 2016 de zitting wordt gehouden en dat deze moet worden voorbereid.
3. Op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan de rechtsbijstandverlener slechts met instemming van het bestuur de toevoeging weigeren. Zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, is hij verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen.
4.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat evident geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb om een voorlopige voorziening hangende de bezwaarfase te treffen en overweegt daartoe als volgt.
4.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat een toevoeging is verleend en dat op grond van het bepaalde in artikel 24, vierde lid, van de Wrb de rechtsbijstandverlener verplicht is verzoeker de nodige rechtsbijstand te verlenen. Dit betekent dat is gegarandeerd dat verzoeker niet is verstoken van rechtsbijstand.
4.3
Ook de stelling van de gemachtigde van verzoeker dat zonder toekenning van de extra uren geen adequate rechtsbijstand kan worden verleend en hij nu gedwongen is om, om niet te werken, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van onverwijlde spoed. Indien zou blijken dat volgens de richtlijnen geen recht op meer uren bestaat voor de rechtshulpverlener, dan is en blijft de rechtshulpverlener gelet op artikel 24, vierde lid, van de Wrb gehouden om adequate rechtshulp te verlenen, dus ook wanneer deze rechtshulp het aantal toegekende uren overschrijdt. Het systeem van vergoedingen is immers zo ingericht dat een rechtsbijstandverlener de ene keer minder tijd en de andere keer meer tijd zal (moeten) besteden aan een dossier. Het besteden van meer uren in een zaak wordt in eerste instantie geacht te zijn verdisconteerd in het forfaitaire systeem van vergoedingen voor rechtsbijstand. Indien in bezwaar zal blijken dat de gemachtigde van verzoeker recht heeft op meer uren, kan dit achteraf zonder meer worden hersteld.
4.4
Gelet op het voorgaande is evident geen sprake van onomkeerbare gevolgen dan wel onverwijlde spoed die maken dat niet op de beslissing op het bezwaar kan worden gewacht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom zonder zitting als kennelijk ongegrond af. Voor een proceskostenveroordeling en/of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Vreede, griffier, en bekendgemaakt aan partijen door verzending op de hieronder genoemde datum.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.