Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Amsterdam
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning die zij in 2006 hebben gekocht met een hypothecaire lening onder hoofdelijke aansprakelijkheid. In 2007 is overeengekomen dat de vrouw (eiseres) maximaal drie jaar hoofdelijk aansprakelijk zou blijven, waarna zij zou worden ontslagen of de woning verkocht zou worden.
De vrouw is onder bewind gesteld wegens problematische schulden en wil toegelaten worden tot schuldhulpverlening, maar dit is niet mogelijk zolang zij mede-eigenaar is van de woning. De vrouw verzoekt gedaagde mee te werken aan verkoop van de woning, maar gedaagde weigert vanwege de dreigende restschuld die hij alleen zou moeten dragen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de woning verkocht moet worden aan een derde en dat gedaagde gehouden is tot medewerking, ook al kan een restschuld ontstaan. Dit risico was bekend en aanvaard bij het aangaan van de hypotheek en de afspraken. De vorderingen worden grotendeels toegewezen, met een dwangsom bij niet-naleving, maar een veroordeling tot ontruiming en voorafgaande inschrijving in registers wordt afgewezen als prematuur.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de woning met oplegging van dwangsom bij niet-naleving.