Op 7 november 2016 werd er geschoten op het raam van een café in Amsterdam-Oost. De politie trof een inslaggat in het raam en vond projectielresten in het café. Getuigen verklaarden dat de schutter deel uitmaakte van een groep van vier mannen die in een zwarte of donkerkleurige Fiat Punto waren weggereden. Verdachte werd door een aangever als schutter genoemd, maar ontkende en voerde een alibi aan dat niet werd bevestigd door camerabeelden.
De rechtbank oordeelde dat het schieten met een vuurwapen op het café heeft plaatsgevonden en dat verdachte de schutter was, mede op basis van getuigenverklaringen, overeenkomend signalement en kleding, en het bezit van een Fiat Punto. Verdachte had willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het schot aanwezigen in het café dodelijk geraakt konden worden, wat de rechtbank kwalificeerde als poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet.
De officier van justitie eiste 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank achtte deze straf passend gezien de ernst van het feit, het gevaar voor meerdere personen en het ontbreken van verantwoordelijkheid bij verdachte. Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf gelast vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit.
De vorderingen van twee benadeelde partijen werden deels afgewezen. Materiële schade werd niet toegewezen wegens onvoldoende onderbouwing of gebrek aan verband met het strafbare feit. Immateriële schade werd aan één benadeelde toegekend op grond van lichamelijk letsel, vastgesteld op €1.000,- vermeerderd met wettelijke rente. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding aan de Staat met een hechtenisbeding bij niet-betaling.
De rechtbank sprak verdachte vrij van andere ten laste gelegde feiten dan de bewezenverklaring en legde de straf en maatregelen op conform de wettelijke voorschriften.