Verzoekster, een besloten vennootschap te Amsterdam, had sinds 2013 een exploitatievergunning voor zalenverhuur met beperkende voorwaarden. Na een verlengingsaanvraag verleende de gemeente op 23 januari 2017 een vergunning zonder de beperkende voorwaarden, maar trok deze op 15 februari 2017 in en verleende een nieuwe vergunning met de voorwaarden wel opgenomen.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, omdat zij op korte termijn commerciële feesten had gepland waarvoor investeringen waren gedaan. De gemeente stelde dat het eerdere besluit op een fout berustte en dat verzoekster geen recht had op het organiseren van commerciële feesten.
De voorzieningenrechter kon op dat moment niet beoordelen of het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, maar stelde vast dat verzoekster aannemelijk had gemaakt dat zij aanzienlijke schade zou lijden als de feesten niet doorgingen. Ook speelde mee dat verzoekster een jaar lang geen vergunningsvoorwaarden had overtreden en dat sinds 2015 geen incidenten meer waren geweest.
Na belangenafweging oordeelde de voorzieningenrechter dat het belang van verzoekster om te kunnen exploiteren conform de vergunning van 23 januari 2017 zwaarder woog dan het belang van de gemeente bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst en de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.