Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
;
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen partijen over de verdeling van hun gemeenschap van goederen na echtscheiding. De vrouw had €43.000 van haar bankrekening opgenomen, waarvan de man stelde dat dit ten koste ging van zijn aandeel in de gemeenschap. De vrouw betwistte benadeling en gaf aan dat het geld was besteed aan een dure reis naar India, diverse uitstapjes en een reis voor haar moeder.
De rechtbank oordeelde dat de opnames plaatsvonden meer dan zes maanden voor het echtscheidingsverzoek, zodat artikel 1:164 BW Pro over benadeling niet van toepassing was. De hoofdregel van gelijke verdeling (artikel 1:100 BW Pro) geldt, tenzij afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd is. De vrouw kon onvoldoende aantonen waar het geld aan was besteed; de rechtbank stelde de reiskosten naar India op €10.000 vast en achtte de overige kosten onvoldoende onderbouwd.
Hierdoor werd €33.000 geacht nog aanwezig te zijn, waarvan de man recht had op de helft (€16.500). De rechtbank veroordeelde de vrouw tot betaling van dit bedrag aan de man. Daarnaast werden afspraken gemaakt over de verdeling van hypotheken, polissen, bankrekeningen, auto en contanten, waarbij enkele correcties werden aangebracht ten opzichte van eerdere beschikkingen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen werden verplicht mee te werken aan het vastgestelde stappenplan voor de verdeling van de panden. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van €16.500 aan de man wegens onvoldoende onderbouwing van bestedingen van opgenomen bedragen.