Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Amsterdam
Eiser en zijn echtgenote zijn in 1990 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die uitsluiting van gemeenschap van goederen inhielden, welke voorwaarden destijds in het huwelijksgoederenregister waren ingeschreven. Na een echtscheiding in 2014 zijn zij opnieuw getrouwd, waarbij de huwelijkse voorwaarden pas in november 2016 opnieuw werden ingeschreven.
ABN AMRO had een verstekvonnis tegen de echtgenote wegens niet-betaalde schulden en legde in oktober 2016 derdenbeslag op het WAO-uitkeringsinkomen van eiser, mede wegens het ontbreken van een actuele inschrijving van de huwelijkse voorwaarden in het register. Eiser vorderde daarop opheffing van het beslag en terugbetaling van onterecht geïncasseerde bedragen.
De rechtbank oordeelt dat eiser als geëxecuteerde van het beslag ontvankelijk is in zijn vordering. Echter, omdat de huwelijkse voorwaarden ten tijde van het beslag niet waren ingeschreven en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ABN AMRO hiervan op de hoogte was, kon ABN AMRO een beroep doen op derdenbescherming. Misbruik van executiebevoegdheid werd niet vastgesteld.
Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter C.M. Berkhout en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het derdenbeslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.