Klaagster verzocht de rechtbank om teruggave van inbeslaggenomen geldbedragen van GBP 90.675,- en EUR 218.405,- die onder beslagene waren aangetroffen. De rechtbank hield een openbare raadkamer waarin de raadsman van klaagster, beslagene en de officier van justitie werden gehoord.
Klaagster stelde dat het beslag niet langer in het belang van strafvordering was omdat het geld niet afkomstig was uit een misdrijf en niet vatbaar was voor verbeurdverklaring. Zij onderbouwde dit met verklaringen van beslagene en de eigenaar van klaagster, alsmede diverse bewijsmiddelen zoals video-opnames en bankbescheiden.
De officier van justitie verzette zich tegen teruggave omdat het geld vermoedelijk verband hield met witwassen door beslagene. Het geld was aangetroffen op een parkeerterrein dat bekend staat om criminele activiteiten en beslagene had een ongeloofwaardige verklaring over zijn aanwezigheid. Het onderzoek was nog gaande, onder meer via rechtshulpverzoek in het Verenigd Koninkrijk.
De rechtbank oordeelde dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat het geld verbeurd zou worden verklaard en dat het strafvorderlijk belang ontbrak. De verklaringen van klaagster en beslagene over de herkomst van het geld werden als voldoende aannemelijk beschouwd. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat dit niet mogelijk is op grond van artikel 552a Sv.
De rechtbank gelastte de teruggave van het geld aan klaagster en verklaarde haar niet-ontvankelijk voor het verzoek tot proceskostenvergoeding.