ECLI:NL:RBAMS:2017:3426
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontucht met lichamelijk onmachtige
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontucht met een lichamelijk onmachtig slachtoffer op 21 juli 2016. Het slachtoffer deed aangifte van seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van haar vagina, terwijl zij door een conversiestoornis lichamelijk beperkt was. Verdachte ontkende het binnendringen en stelde dat hij met toestemming handelde.
De rechtbank onderzocht de betrouwbaarheid van de aangifte en de verklaringen van verdachte. Hoewel de aangifte grotendeels werd ondersteund door de verklaring van verdachte, ontkende hij het cruciale onderdeel van het binnendringen. De rechtbank oordeelde dat dit onderdeel niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld, wat essentieel is voor een bewezenverklaring.
Daarnaast werd beoordeeld of het slachtoffer lichamelijk onmachtig was in de zin van artikel 247 Sr Pro. De rechtbank concludeerde dat, ondanks de psychische aandoening van het slachtoffer, er onvoldoende medische informatie was om te concluderen dat zij dermate weerloos was dat zij als lichamelijk onmachtig kon worden beschouwd. Ook was er geen bewijs van een zodanige psychische stoornis die haar weerstand onmogelijk maakte.
Op grond van het ontbreken van voldoende bewijs voor zowel het seksueel binnendringen als de lichamelijke onmacht sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlasteleggingen en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van ontucht met lichamelijk onmachtig slachtoffer.