Het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen heeft op 30 augustus 2016 de Participatiegroep Minima Amstelveen (PMA) met onmiddellijke ingang opgeheven vanwege aanhoudende interne problemen die de advisering onwerkbaar maakten. Verzoeksters, leden van de PMA, maakten bezwaar tegen deze opheffing en tegen brieven die hun lidmaatschap beëindigden. Het college verklaarde deze bezwaren ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat de brieven van 12 september 2016 geen zelfstandige besluiten zijn en dat het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit op bezwaar voor zover het bezwaar tegen deze brieven betreft en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Over het overige deel van het beroep, met name de opheffing van de PMA, is het beroep ongegrond.
De rechtbank stelt dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de PMA op te heffen vanwege de collectieve verantwoordelijkheid voor de interne problemen. De positie van vrijwilligers is niet vergelijkbaar met ambtenaren, waardoor individuele verantwoordelijkheid niet onderzocht hoefde te worden. Het college heeft ook voldaan aan zijn zorgplicht door hulp aan te bieden die werd afgewezen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen onvoorwaardelijke toezeggingen waren.
De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.