De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 mei 2017 een verzoek tot overlevering van een persoon aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 27 september 2016. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van zes jaar, twee maanden en twintig dagen.
De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende duidelijkheid bood over de feiten waarvoor overlevering werd verzocht en dat onduidelijk was of de opgeëiste persoon reeds een deel van de straf had uitgezeten. De officier van justitie had hierover informatie opgevraagd bij de Roemeense autoriteiten, maar het antwoord was onvoldoende helder en niet in het dossier opgenomen.
De rechtbank oordeelde dat het EAB niet voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet, omdat het niet duidelijk was welke straf ten uitvoer gelegd moest worden en de beschrijving van de strafbare feiten onvoldoende concreet was. Gezien deze tekortkomingen werd het verzoek tot overlevering geweigerd.
Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij de jongste rechter niet kon ondertekenen.