ECLI:NL:RBAMS:2017:4358

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2017
Publicatiedatum
22 juni 2017
Zaaknummer
5717921 CV EXPL 17-3737
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 RvArt. 69 RvBPR
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Procedurele discussie over juiste procesvorm bij artikel 96 Rv-procedure

In deze zaak hebben eiser sub 1 en eiser sub 2 een procedure op grond van artikel 96 Rv Pro (prorogatie) willen voeren, maar zij hebben deze procedure onjuist ingeleid door een dagvaarding uit te brengen met een petitum gericht tegen één partij, Reitsma. Reitsma heeft vervolgens een conclusie van antwoord met een tegenvordering ingediend. De kantonrechter constateert dat partijen zich feitelijk gedragen als in een dagvaardingsprocedure, terwijl artikel 96 Rv Pro een verzoekschriftprocedure voorschrijft.

Op de rolzitting van 12 juni 2017 heeft Reitsma bevestigd dat de procedure als een artikel 96 Rv Pro-procedure dient te worden beschouwd en verzocht om verdere instructies. De kantonrechter wijst erop dat een verzoek ex artikel 96 Rv Pro niet met een dagvaarding wordt ingeleid en dat er geen eis in reconventie kan worden ingesteld. Partijen dienen gezamenlijk een verzoekschrift in te dienen met hun vragen en standpunten.

De kantonrechter biedt partijen twee opties: ofwel herstel van de procedure door een gezamenlijk verzoekschrift (spoorwissel), ofwel voortzetting van de procedure als dagvaardingsprocedure met verwijzing naar de kamer voor andere zaken dan de sector kanton. De zaak wordt verwezen naar de rol van 10 juli 2017 voor partijen om hun keuze kenbaar te maken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst partijen naar de rol om te kiezen tussen herstel via verzoekschrift of voortzetting als dagvaardingsprocedure.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 5717921 CV EXPL 17-3737
vonnis van: 19 juni 2017
fno.: 245

Tussenvonnis van de kantonrechter

I n z a k e
1. [eiser sub 1]gevestigd te [plaats]
nader te noemen [eiser sub 1]
en
2. [eiser sub 2]wonende te [woonplaats]
nader te noemen: [eiser sub 2]
eisers
gemachtigde: mr. A.C. Kool
t e g e n

mr. Hidde Reitsma, in zijn hoedanigheid als vereffenaar van de nalatenschap van [erflater]

gevestigd te Amsterdam
nader te noemen: Reitsma
gedaagde
gemachtigde: mr. O.J. Hennis

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 30 januari 2017 met producties
- antwoord/eis in reconventie met producties
- brief van de kantonrechter van 24 mei 2017
- akte zijdens [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij brief van 3 februari 2017 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een aan Reitsma betekende dagvaarding aan de rechtbank Amsterdam, sector kanton toegezonden met het verzoek deze aan te brengen op de rol (van dinsdag 14 februari 2017). Boven de dagvaarding is opgenomen “Procedure op gronde van artikel 96 Rv Pro (prorogatie)”. De dagvaarding besluit met een uitgebreid petitum met daarin vorderingen tegen (uitsluitend) Reitsma. Het betreft geen aard-zaak en de waarde gaat de bevoegdheid van de kantonrechter (ver) te boven.
De zaak is zoals verzocht ingeschreven op de rol en voor conclusie van antwoord geplaatst. Op de rolzitting van 15 mei 2017 heeft Reitsma vervolgens voor antwoord geconcludeerd. Daarbij heeft Reitsma een tegeneis/eis in reconventie ingesteld.
Daarna is geconcludeerd dat partijen zich feitelijk gedroegen als in een dagvaardings-procedure en niet conform de regelen van een artikel 96-Rv verzoek. Daarop zijn partijen verzocht zich uit te laten over de vraag of zij de zaak op reguliere wijze wilden voortzetten, waarbij de zaak zou worden overgedragen aan de kamer voor andere zaken dan de sector kanton, of dat de zaak als een procedure ex artikel 96 Rv Pro dient te worden beschouwd.
Op de rolzitting van 12 juni 2017 heeft Reitsma de kantonrechter bij akte bericht dat de zaak als een procedure ex artikel 96 Rv Pro dient te worden beschouwd en dat de kantonrechter wordt verzocht om verdere instructies. Daarop is tussenvonnis bepaald.
Een verzoek ex artikel 96 Rv Pro wordt niet ingeleid met een dagvaarding, maar met een verzoekschrift, en er wordt geen eis in reconventie (tegeneis) ingesteld. Partijen leggen in een gezamenlijk verzoekschrift een of meer vragen aan de kantonrechter voor, waarbij zij beide (in hetzelfde verzoekschrift dan wel ieder in een separaat stuk) hun standpunt ten aanzien van de vragen weergeven en bepleiten op welke wijze de vragen beantwoord zouden moeten worden. Uit de thans in het geding gebrachte stukken kan de kantonrechter dat niet destilleren.
De kantonrechter vraagt partijen zich uit te laten over de volgende mogelijkheden:
1. de kantonrechter kan op de voet van artikel 69 Rv Pro partijen opdragen het verkeerd inleiden van de procedure te herstellen door een gezamenlijk verzoekschrift in te dienen met daarin geformuleerd de vraagpunten waarover partijen de beslissing van de kantonrechter wensen. Daarbij kan - al dan niet gevolgtijdelijk - gevoegd worden de stukken waarin de standpunten van beide partijen helder en eenduidig ten aanzien van deze vragen zijn weergegeven;
of
2. de procedure wordt alsnog gezien als een dagvaardingsprocedure, en zal op die voet worden voortgezet. De zaak wordt dan in de stand waarin zij verkeert, verwezen naar de kamer voor andere dan kantonzaken, nu de kantonrechter niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.
De kantonrechter wenst van partijen tegelijkertijd bij akte te vernemen wat zij verkiezen; optie 1 (een spoorwissel, gevolgd door een nieuw verzoekschrift) of optie 2 (voortzetting op tegenspraak met verwijzing naar de handelskamer). De zaak wordt daartoe (nogmaals) naar de rol verwezen van 10 juli 2017. Daarna zal de kantonrechter naar bevindt van zaken beslissen over de voortgang van de procedure.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:
(In conventie en reconventie):
verwijst de zaak naar de rol van
10 juli 2017voor akte aan de zijde van beide partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door Mr M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier De Kantonrechter