ECLI:NL:RBAMS:2017:4599
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak trambestuurster na fatale aanrijding voetganger op Tussen Meer
Op 19 september 2014 reed een 51-jarige trambestuurster over de vrijgelegen trambaan op de Tussen Meer in Amsterdam toen een voetganger de trambaan overstak en werd aangereden. Het slachtoffer overleed ter plaatse. Verdachte verklaarde dat zij als ervaren bestuurder alle voorzorgsmaatregelen had genomen, waaronder het aanpassen van snelheid en het kijken naar links en rechts bij de oversteekplaats. Hoewel zij geen belsignaal gaf, was dit volgens de instructies van het GVB niet wettelijk verplicht en alleen bedoeld bij dreigend gevaar.
De officier van justitie stelde dat verdachte geen aanmerkelijke schuld had en dat de primaire tenlastelegging van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 niet bewezen kon worden, maar eiste een geldboete voor de subsidiaire overtreding van artikel 5. De verdediging voerde aan dat verdachte geen verkeersfout had gemaakt en dat het ongeval een ongelukkige samenloop van omstandigheden was.
De rechtbank oordeelde dat verdachte als sterke verkeersdeelnemer had gehandeld zoals van een ervaren trambestuurder verwacht mag worden. Zij had de snelheid aangepast, vrij zicht en was niet afgeleid. Het niet tijdig zien van het slachtoffer was een moment van onoplettendheid, maar geen aanmerkelijke schuld. Ook de subsidiaire overtreding werd niet bewezen geacht, omdat er geen gevaarzettend gedrag was. De nabestaanden werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering omdat verdachte strafrechtelijk niet aansprakelijk was.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en benadrukte dat de gevaarlijke verkeerssituatie de oorzaak was, niet het handelen van verdachte. Na het incident is de verkeerssituatie aangepast om de veiligheid te verbeteren.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van schuld aan het verkeersongeval en de nabestaanden zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.