Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2017 in de zaak tussen
de stichting Stichting Volkshuisvesting Utrecht, eiseres 1,
Procesverloop
Overwegingen
op hun kostenzullen worden genomen als zij niet binnen twee weken betalen. Uit het oogpunt van rechtszekerheid had dit naar het oordeel van de rechtbank wel in de aanmaning moeten worden vermeld. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het in de praktijk (vrijwel) niet voorkomt dat invorderingsmaatregelen niet ten laste van de schuldenaar worden gebracht. De aanname van verweerder dat een schuldenaar wel zal weten dat invorderingsmaatregelen doorgaans ook voor zijn rekening komen is echter niet verenigbaar met het belang van rechtszekerheid. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarom ook het onderdeel “op kosten van de schuldenaar” in artikel 4:112, derde lid, van de Awb als een constitutief vereiste voor een geldige aanmaning worden aangemerkt. Nu de aanmaning in dit geval niet volledig aan artikel 4:112, derde lid, van de Awb voldoet, heeft verweerder de verjaring naar het oordeel van de rechtbank niet op tijd gestuit. Dat betekent dat de invordering van de derde dwangsom is verjaard. Verweerder is - en was ten tijde van de besluitvorming - gelet daarop niet meer bevoegd tot invordering van deze dwangsom.
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.