ECLI:NL:RBAMS:2017:4869
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering op Europees aanhoudingsbevel wegens vernietiging vonnis
De rechtbank Amsterdam behandelde een rekestprocedure op grond van artikel 23 van Pro de Overleveringswet, waarbij de officier van justitie de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit België vorderde. Het EAB was uitgevaardigd door het Parket van de Procureur des Konings van Namen en betrof een vrijheidsstraf van twee jaar opgelegd bij verstekvonnis van 6 januari 2016.
Tijdens de procedure stelde de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon correct was geïdentificeerd en dat hij de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit bezit. De zittingen vonden plaats op meerdere data, waarbij de opgeëiste persoon zich liet bijstaan door advocaten en eenmaal niet was verschenen.
Belangrijk was dat op 1 maart 2017 het verstekvonnis door de Rechtbank van Eerste Aanleg van Namen werd vernietigd en in plaats daarvan een geheel voorwaardelijke straf en een geldboete werden opgelegd. Hierdoor kwam de grondslag van het EAB te vervallen. De rechtbank oordeelde daarom dat de officier van justitie niet-ontvankelijk was in haar vordering tot overlevering.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarvan één niet in staat was mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot overlevering wegens vervallen grondslag van het Europees aanhoudingsbevel.