ECLI:NL:RBAMS:2017:4989
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek transitievergoeding wegens overschrijding vervaltermijn
De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van de werknemer om een transitievergoeding na beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 14 december 2016. Het verzoekschrift werd ingediend op 15 maart 2017, één dag na de vervaltermijn van drie maanden zoals bepaald in artikel 7:686a lid 4 sub b BW.
De werknemer stelde dat toepassing van de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, onder meer omdat de werkgever hem niet had gewaarschuwd en hem tot 9 maart 2017 aan het lijntje had gehouden, waardoor hij feitelijk slechts vijf dagen had om het verzoek in te dienen. Tevens voerde hij aan dat de werkgever niet als goed werkgever had gehandeld en dat de vervaltermijn een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde.
De kantonrechter oordeelde dat overschrijding van de vervaltermijn in principe leidt tot niet-ontvankelijkheid en dat de door verzoeker aangedragen omstandigheden niet klemmend of uitzonderlijk waren om hiervan af te wijken. Ook werd geoordeeld dat de specifieke regeling omtrent de transitievergoeding niet kan worden aangevuld met het criterium van goed werkgeverschap. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro werd verworpen omdat verzoeker voldoende tijd en toegang tot de rechter had gehad.
De kantonrechter verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat ieder der partijen zijn eigen proceskosten draagt. De beschikking werd op 4 juli 2017 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter M.V. Ulrici.
Uitkomst: Het verzoek om transitievergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de vervaltermijn.