De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel aan veroordeelde, opgelegd bij vonnis van 15 december 2015. De ISD-maatregel was voor twee jaar opgelegd met bijzondere voorwaarden, waaronder meldplicht, behandelverplichting en begeleiding bij dagbesteding en inkomen.
Veroordeelde voldeed niet aan de meldplicht en werkte onvoldoende mee aan reclasseringstrajecten en ambulante behandeling. Reclassering Nederland adviseerde de tenuitvoerlegging van de maatregel wegens het hoge recidiverisico en het ontbreken van gedragsverandering. De officier van justitie stelde dat de maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij.
De verdediging betoogde dat de overtredingen niet rechtvaardigen dat de ISD-maatregel wordt uitgevoerd, mede omdat de recente strafbare feiten niet onder de doelstelling van de ISD vallen. De rechtbank oordeelde dat hoewel de bijzondere voorwaarden niet werden nageleefd, het niet proportioneel is de maatregel ten uitvoer te leggen gezien het ontbreken van ernstige strafbare feiten sinds 2015.
De rechtbank besloot de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en de bijzondere voorwaarden op te heffen. Hiermee wordt erkend dat de gedragsverandering niet is bereikt, maar dat uitvoering van de maatregel in dit geval niet passend is.