ECLI:NL:RBAMS:2017:6822

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 september 2017
Publicatiedatum
21 september 2017
Zaaknummer
6131246 / CV EXPL 17-15287
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 EEX-Vo HerschiktArt. 5 EEX-Vo HerschiktArt. 7 lid 1 EEX-Vo HerschiktArt. 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij geschil over kredietovereenkomst met verhuisde kredietnemers

In deze zaak betwistten gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtbank moest beoordelen of zij bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van Rabobank, die is gebaseerd op geldleningovereenkomsten.

De partijen wonen in verschillende lidstaten van de Europese Unie, waardoor de toepasselijkheid van de EEX-Vo Herschikt centraal stond. Volgens artikel 4 lid 1 EEX Pro-Vo Herschikt geldt in beginsel dat personen voor de rechter van hun woonplaats moeten verschijnen. Dit zou betekenen dat de Belgische rechter bevoegd is, aangezien de kredietnemers in België wonen.

Echter, Rabobank stelde dat op grond van artikel 7 lid 1 EEX Pro-Vo Herschikt, dat bijzondere bevoegdheidsregels bevat voor verbintenissen uit overeenkomst, de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de kredietverstrekking vanuit Amsterdam plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat het verstrekken van krediet als een dienst moet worden beschouwd en dat de plaats van uitvoering de vestigingsplaats van Rabobank in Amsterdam is.

Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd, ondanks de hoofdregel van artikel 4. De kantonrechter stelde echter vast dat de vordering de competentiegrens van de kantonrechter overstijgt en overwoog de zaak te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Partijen krijgen de gelegenheid hierop te reageren.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam is bevoegd kennis te nemen van de vordering van Rabobank ondanks het verblijf van de kredietnemers in België.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: 6131246 / CV EXPL 17-15287
Uitspraak: 22 september 2017
Vonnis in incident van de kantonrechter
in de zaak van:
1. de naamloze vennootschap
RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
2. de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
beiden gevestigd te Amsterdam,
eiseressen,
gedaagden in bevoegdheidsincident,
nader te noemen Rabobank,
gemachtigde drs. M. D. Brouwer te Utrecht,
t e g e n

1.[gedaagde sub 1] ,

2.
[gedaagde sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] , [land] ,
gedaagden,
eisers in bevoegdheidsincident,
nader te noemen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2,
gemachtigde mr. J.F. van Dijk te ’s-Gravenhage.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
De volgende processtukken zijn ingediend:
  • de dagvaarding van 15 maart 2017, met producties,
  • de conclusie van antwoord,
  • de rolmededeling van 24 juli 2017 waarin Rabobank in de gelegenheid is gesteld van antwoord te dienen op de in de conclusie van antwoord opgeworpen bevoegdheidsexceptie,
  • de conclusie van antwoord in het incident.
Daarna is vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING

1.Beoordeling

in het incident

1.1.
Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hebben de rechtsmacht van de Nederlandse rechter betwist, zodat deze ten aanzien van hen zal moeten worden beoordeeld in dit incident.
1.2.
Partijen zijn woonachtig, dan wel gevestigd, op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie. Dit leidt tot de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van Rabobank kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX-Vo Herschikt) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten.
1.3.
Anders dan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hebben betoogd volgt uit artikel 4 lid 2 EEX Pro-Vo Herschikt niet dat op dit geschil in incident van toepassing is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In artikel 4 lid 2 EEX Pro-Vo Herschikt is bepaald dat lidstaten hetzelfde recht met betrekking tot het vaststellen van de bevoegdheid moet toepassen op alle burgers woonachtig op zijn grondgebied ongeacht hun nationaliteit (het assimilatiebeginsel). Dat recht is in dit geval de EEX-Vo Herschikt.
1.4.
In artikel 4 lid 1 EEX Pro-Vo Herschikt is bepaald dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dienen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 (in beginsel) voor de Belgische rechter te worden opgeroepen. Uit artikel 5 EEX Pro-Vo Herschikt volgt dat slechts afwijking van deze hoofdregel mogelijk is op grond van de regels, zoals neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 7 tot en met 26) EEX-Vo Herschikt. Derhalve is in dit geval de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel van artikel 4 EEX Pro-Vo Herschikt afwijkende bijzondere bevoegdheid, op grond waarvan de rechter te Amsterdam rechtsmacht heeft om van de vorderingen van Rabobank kennis te nemen.
1.5.
Rabobank heeft haar vordering op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 gebaseerd op de geldleningovereenkomsten. Rabobank stelt dat de kantonrechter rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in artikel 7 onder Pro 1 EEX-Vo Herschikt.
1.6.
In artikel 7 aanhef Pro en onder 1 EEX-Vo Herschikt luidt:
Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;
1.7.
De onderhavige geldleningsovereenkomsten betreffen overeenkomsten tot het verstrekken van krediet. Dat zijn overeenkomsten tot het verstrekken van diensten, zodat het bepaalde onder artikel 7 aanhef Pro en lid 1 onder b tweede gedachte streepje van de EEX-Vo Herschikt toepassing vindt. Het verstrekken van kredieten door Rabobank geschiedt vanuit haar kantoor. Onweersproken is dat Rabobank is gevestigd te Amsterdam, zodat de diensten van Rabobank aan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 (het verstrekken van de kredieten) overeenkomstig de overeenkomsten zijn verleend in die plaats.
1.8.
Gelet op het bovenstaande komt – in afwijking van het bepaalde in artikel 4 EEX Pro-Vo Herschikt – in dit geval mede rechtsmacht toe aan de Nederlandse rechter en is de rechtbank te Amsterdam bevoegd kennis te nemen van de vordering van Rabobank op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2.
1.9.
De vordering van Rabobank op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 overstijgt de competentiegrens van de kantonrechter. Rabobank heeft haar vordering op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 in deze procedure weliswaar beperkt tot € 25.000,00 maar zij heeft daarbij haar rechten op het meerdere voorbehouden. Nu gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 de rechtstitel van de vordering van Rabobank betwisten door een beroep te doen op verjaring van die vordering is gezien het bepaalde in artikel 93 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgeerlijke Rechtsvordering de kantonrechter in beginsel niet bevoegd van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter is daarom voornemens de zaak te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Daarover hebben partijen zich nog niet uitgelaten, zij zullen daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Alle overige beslissingen in dit incident worden aangehouden.

2.BESLISSING

De kantonrechter:
in het incident
2.1.
verstaat dat de rechtbank Amsterdam rechtsmacht heeft;
2.2.
stelt eerst Rabobank in de gelegenheid zich uiterlijk vrijdag 6 oktober 2017 bij akte uit te laten over het voornemen deze procedure te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken, waarna gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 binnen een termijn van twee weken bij akte mogen reageren,
2.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. G.H. Marcus, kantonrechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2017.
De griffier De kantonrechter