De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 september 2017 een vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, waaronder plofkraken, gepleegd op Duits grondgebied.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde dat hij de Marokkaanse nationaliteit bezit en een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft. De strafbare feiten zijn opgenomen in de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW), waardoor het onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. De Duitse autoriteiten gaven de vereiste garantie dat bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte in Nederland de straf kan uitzitten.
De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd wegens een onjuiste stakingsprocedure door de Nederlandse Minister van Justitie en het bestaan van lopende strafzaken in Nederland. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de stakingsbeslissing niet dubbelzinnig was en dat het zwaartepunt van de vervolging bij de Duitse autoriteiten ligt. Lopende strafzaken in Nederland staan de overlevering niet in de weg.
Uiteindelijk besloot de rechtbank de overlevering toe te staan, omdat aan alle wettelijke voorwaarden was voldaan en geen weigeringsgronden van toepassing waren. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.