De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van de woninginbraken gepleegd op 29 maart 2017 aan het [straatnaam] te [plaats], omdat het bewijs onvoldoende was om zijn directe betrokkenheid aan te tonen. Wel is bewezen verklaard dat verdachte samen met een ander opzetheling pleegde door gestolen goederen voorhanden te hebben, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.
Daarnaast is verdachte veroordeeld voor een woninginbraak op 20 april 2017 waarbij hij met een mededader zich toegang verschaft heeft door braak en diverse goederen heeft weggenomen. Ook is bewezen dat verdachte op diezelfde dag een hoofdagent heeft bedreigd met woorden en een dreigende houding, wat de rechtbank als strafbaar heeft beoordeeld.
De rechtbank heeft de strafoplegging gemotiveerd vanuit de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en het strafblad van verdachte. Er is een gevangenisstraf van 16 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en behandeling. Tevens is een immateriële schadevergoeding van €300 toegewezen aan een benadeelde partij.
De rechtbank heeft de vordering tot materiële schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en heeft verdachte veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding met wettelijke rente. De straf en maatregelen zijn in lijn met de ernst van de bewezen feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.