Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
17 maart 2016 door het
District Courtvan Toruń (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
judgementvan het
Regional Courtin Toruń met zaaknummer II K 387/13. Uit de aanvullende informatie (het zogenaamde “Form A”) blijkt dat dit vonnis dateert van 11 september 2013.
ex officio” optredende advocaat niet gemachtigd om zijn verdediging op de zitting in hoger beroep te voeren. Dat deze advocaat hoger beroep en een beroepschrift heeft ingediend, wil nog niet zeggen dat de opgeëiste persoon de advocaat ook daadwerkelijk heeft gemachtigd om op de zitting in hoger beroep zijn verdediging te voeren. Vlak na het uitzitten van zijn detentie, te weten in juli 2013, is de opgeëiste persoon naar Nederland vertrokken en heeft hij verder geen contact meer met de advocaat gehad. Hij is verder nooit op de hoogte gesteld van de zitting in hoger beroep. De overlevering moet op grond van artikel 12 van Pro de OLW worden geweigerd. Subsidiair dient de behandeling van de vordering aangehouden te worden voor het geven van een verzetgarantie.
Regional Courtvoor de behandeling heeft vastgesteld dat de raadsman daartoe door de opgeëiste persoon was gemachtigd.
4.Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
5.Slotsom
6.Toepasselijke wetsbepalingen
7.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan
District Courtvan Toruń (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.