Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2]
HEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN PLAATSELIJK BEKEND ALS [gedaagde 3],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Amsterdam
Ymere, eigenaar van een sociale huurwoning, vordert ontruiming van de woning die sinds juli 2015 aan [gedaagde 1] is verhuurd. Door een opgelegde gevangenisstraf van [gedaagde 1] werd een huisbewaringsovereenkomst gesloten met [gedaagde 2] als huisbewaarder, die verplicht was de woning zelf te bewonen en niet aan derden onder te verhuren.
Ymere ontving meldingen van woonfraude en constateerde bij huisbezoeken dat niet [gedaagde 2], maar derden, waaronder een Braziliaanse jongeman en een vrouw, de woning langdurig gebruikten. Diverse verklaringen en foto’s bevestigen dat deze derden maandenlang in de woning verbleven, wat in strijd is met de huisbewaringsovereenkomst.
De gedaagden betwisten onrechtmatige bewoning en stellen dat de woning slechts tijdelijk door logees werd gebruikt. De voorzieningenrechter acht de stellingen van Ymere echter aannemelijk, concludeert dat [gedaagde 2] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft en dat sprake is van onderhuur.
De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met machtiging tot ontruiming met inzet van de sterke arm. De gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woning wordt toegewezen met machtiging tot ontruiming met inzet van de sterke arm.