De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag en een zorgregeling vast te stellen voor zijn minderjarige kind dat met de moeder in Polen verblijft. De vader wenst gezamenlijk gezag en een omgangsregeling, terwijl de moeder dit afwijst en stelt dat de Poolse rechter bevoegd is.
De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd is omdat de minderjarige ten tijde van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had. De erkenning van het kind door de vader is naar Pools recht rechtsgeldig, waarbij het Pools recht mogelijk van toepassing is op het gezag. De rechtbank constateert dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de verblijfplaatsen van het kind en gelast partijen nadere informatie te verstrekken.
De omgangsregeling wordt beoordeeld aan de hand van het belang van het kind, maar partijen verschillen sterk van mening. De Raad voor de Kinderbescherming gaf aan dat de situatie zorgelijk is en dat nader onderzoek in Polen noodzakelijk is. De rechtbank draagt de Raad op via International Social Services een aanvullend onderzoek door een Poolse instantie te laten uitvoeren en houdt verdere beslissingen aan totdat dit onderzoek is afgerond.