Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk strafbaar feit waarmee heeft hij de [winkel] schade en overlast heeft bezorgd.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad (uitdraai van 20 september 2017) van verdachte, waaruit blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten. Voor een diefstal in geval van frequente recidive schrijven de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 9 oktober 2017, opgemaakt door [medewerkster Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (1)] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Betrokkene is voornamelijk veroordeeld wegens het plegen van vermogensdelicten, wat maakt dat sprake is van een delictpatroon. Tevens staat betrokkene geregistreerd als veelpleger en voldoet hij aan de harde en zachte criteria om de ISD-maatregel opgelegd te kunnen krijgen. Betrokkene heeft de Roemeense nationaliteit. Sinds zijn komst naar Nederland, nu ruim zeven jaar geleden, heeft betrokkene zich niet kunnen registeren in de Basisregistratie Personen. Hij spreekt geen Nederlands. Rapporteur heeft telefonisch contact gehad met de Immigratie- en Neutralisatie Dienst (IND). Op basis van hun informatie heeft betrokkene momenteel verblijfsrecht op grond van zijn EU-status. Echter, zij zien ook dat op 15 februari 2017 een aanvraag is ingediend door de politie in Amsterdam rondom een ongewenst verklaring. Deze aanvraag is reeds in behandeling genomen, maar nog niet afgerond. Vanuit hulpverleningsoptiek zijn er geen mogelijkheden voor begeleiding dan wel behandeling binnen een forensisch kader daar betrokkene niet beschikt over het recht op sociale voorzieningen. Mogelijk verliest hij ook zijn verblijfsrecht daar hij ongewenst kan worden verklaard. Hierdoor kan er naar onze inschatting geen inhoudelijke invulling worden gegeven aan een reclasseringstoezicht. Indien betrokkene schuldig wordt bevonden, adviseert de reclassering daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de deskundige [medewerkster Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (2)] , reclasseringswerker van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, een toelichting gegeven op dit advies. Zij heeft onder meer verklaard dat een ISD-maatregel voor betrokkene uitkomst kan bieden in het kader van zijn middelengebruik. Over mogelijke problemen die een taalbarrière met zich mee zal brengen (de hulpverlening wordt immers in de Nederlandse taal aangeboden), kan zij echter niets zeggen. Binnen de maatregel zal worden gekeken naar de mogelijkheden met betrekking tot de ongewenst verklaring van betrokkene, aldus de deskundige.
De rechtbank zal het advies van de reclassering niet volgen en overweegt daartoe als volgt. Uit de reclasseringsrapportage blijkt dat een aanvraag omtrent een ongewenst verklaring van verdachte door IND in behandeling is genomen, maar nog niet is afgerond. Wanneer dit wel het geval zou zijn en verdachte zou ongewenst zijn verklaard, dan zou hij in aanmerking komen voor Vreemdeling in Strafrecht (VRIS) – ISD in de Penitentiaire Inrichting “Esserheem” te Veenhuizen. Dit is echter op dit moment niet de situatie, want verdachte heeft op dit moment een verblijfsrecht in Nederland. Daarnaast blijkt uit de reclasseringsrapportage dat verdachte geen Nederlands spreekt. De verwachting van de rechtbank is dat hem vanwege deze taalbarrière in een ISD-kader geen zorg en behandeling kunnen worden aangeboden. De oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren zou dan feitelijk neerkomen op twee jaren “kale detentie”. Dit vindt de rechtbank disproportioneel. Zij zal verdachte daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen.