ECLI:NL:RBAMS:2017:828

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 februari 2017
Publicatiedatum
14 februari 2017
Zaaknummer
AMS 16/983
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 3:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens overschrijding termijn afgewezen

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift vijf weken na het verstrijken van de wettelijke termijn werd ontvangen.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposante verzet in. De rechtbank beoordeelde in dit verzet uitsluitend of de eerdere beslissing terecht was genomen, zonder inhoudelijk op het besluit in te gaan.

De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit op juiste wijze op 25 november 2015 bekend is gemaakt, waardoor de beroepstermijn van zes weken op 6 januari 2016 eindigde. Het beroepschrift werd echter pas op 10 februari 2016 ontvangen, wat te laat is.

De stelling van opposante dat zij het besluit later ontving en daardoor later in beroep ging, leidt niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dat de datum van bekendmaking bepalend is voor de termijn.

Daarom is het verzet ongegrond verklaard en blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 16/983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2017 op het verzet van

[de vrouw] , te Amsterdam, opposante.

Procesverloop

Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van 25 november 2015 (het bestreden besluit) van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (verweerder in de hoofdzaak) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 18 mei 2016 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Verweerder in de hoofdzaak heeft schriftelijk gereageerd op het verzet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017.
Opposante is, ondanks behoorlijk te zijn uitgenodigd, niet verschenen. Verweerder in de hoofdzaak heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting.
Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het beroepschrift te laat heeft ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden in de hoofdzaak komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De Awb schrijft ter bescherming van de rechtszekerheid en ter voorkoming van rechtsongelijkheid voor dat, alvorens de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, aan een aantal in de wet genoemde eisen moet zijn voldaan, waaronder het tijdig indienen van een beroepschrift.
4. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Verder is in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot opposante zijn gericht door toezending of uitreiking aan haar. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn is ontvangen.
5. Opposante voert in haar verzetschrift aan dat zij zelf erachteraan moest om het bestreden besluit in handen te krijgen. Zij kreeg wel andere post opgestuurd, maar de brief waartegen zij bezwaar heeft gemaakt is niet doorgestuurd. Voor zover opposante hiermee aan heeft willen voeren dat het bestreden besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, omdat het niet op 25 november 2015 naar haar adres is verzonden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt aan de hand van de door verweerder in de hoofdzaak overgelegde contactregistratie, die door opposante niet is betwist, vast dat opposante op 3 december 2015 telefonisch aan verweerder in de hoofdzaak heeft aangegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit. Hieruit leidt de rechtbank af dat opposante het bestreden besluit in ieder geval op 3 december 2015 heeft ontvangen. Dit veronderstelt op zijn beurt dat het bestreden besluit door verweerder in de hoofdzaak is toegezonden. Verder heeft de gemachtigde van verweerder in de hoofdzaak ter zitting meegedeeld dat het bestendige praktijk van de gemeente is dat besluiten worden verzonden op de dag waarop deze zijn gedagtekend. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.
6. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ook in verzet er vanuit dat het bestreden besluit op de juiste wijze op 25 november 2015 bekend is gemaakt. Dit betekent dat de wettelijke termijn van zes weken om beroep in te stellen, is aangevangen op 26 november 2015 en geëindigd op 6 januari 2016. Het beroepschrift van opposante is op 10 februari 2016 door de rechtbank via het Digitaal Loket ontvangen. Opposante heeft dan ook de voor het instellen van het beroep gestelde termijn niet in acht genomen.
7. Voor zover opposante aan heeft willen voeren dat zij het bestreden besluit later dan 25 november 2015 heeft ontvangen en daardoor later in beroep is gegaan, leidt dit niet tot een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Uit het bovenstaande volgt al dat de datum van bekendmaking, en dus niet de datum van ontvangst, bepalend is voor de aanvang van de beroepstermijn. Dit is nog eens bevestigd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BS1176. Niet gesteld of gebleken is dat opposante gedurende de hele beroepstermijn niet in staat was om een beroepschrift in te dienen.
8. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 mei 2016. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Keeman-Folador, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.