ECLI:NL:RBAMS:2017:863
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij invoer en handel in hasj
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de invoer, verkoop en het voorhanden hebben van bijna 345 kilo hasj in juli 2012, alsmede witwassen van 136.500 euro. Het onderzoek was gestart naar aanleiding van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid en betrof een omvangrijke drugshandel.
Tijdens de zittingen werden diverse politieobservaties, camerabeelden en afgeluisterde gesprekken besproken. Verdachte werd op de dag van de levering meerdere malen gezien in de buurt van de locatie waar de hasj werd overgeladen en had contact met andere verdachten. Ook werd een berekening op zijn telefoon gevonden die paste bij de prijs van de hasj. De officier van justitie stelde dat verdachte de hasj had aangeleverd en betrokken was bij witwassen.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts hand- en spandiensten verrichtte voor een medeverdachte en niet wist van de aard van de goederen. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig bewijs was om de betrokkenheid van verdachte aan te tonen. De waarnemingen konden ook passen bij werkzaamheden in de winkel van een medeverdachte. De berekening op de telefoon was onvoldoende bewijs voor wetenschap van de hasjdeal.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie en witwassen. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs van betrokkenheid bij de hasjdeal en witwassen.