Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Inleiding
- [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] );
- [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] );
- [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] );
- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] );
- [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] );
- [medeverdachte 6] en
- [medeverdachte 7] .
1 november 2013 tot en met 15 juni 2014betrokken zou zijn geweest bij de voorbereiding en/of bevordering van verschillende strafbare handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze betrokkenheid is in de tenlastelegging in twee feiten vermeld. Daarbij zijn de aan de deelnemer(s) van beide feiten verweten feitelijke gedragingen – het veelvuldig hebben van ping/telefonisch contact, het voorhanden hebben van geldbedragen, het voorhanden hebben en ter beschikking stellen van voertuigen en het ter beschikking stellen van woningen/panden – identiek.
21 november 2013 tot en met
derde of vierde lidvan artikel 10 van Pro de Opiumwet. De bedoelde strafbare feiten zijn vervolgens ook omschreven in beide feiten. De omschreven feiten zijn echter strafbaar gesteld in het
vierde of vijfdelid van artikel 10 van Pro de Opiumwet.De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag en leest in beide feiten ‘derde en vierde lid’ als ‘vierde en vijfde lid’. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
- veelvuldig onderling en/of met anderen telefonisch/ping contacten hebben gehad en onderhouden en
- 89.230 euro en 230.000 euro voorhanden hebben gehad en
- een personenauto (merk Volkswagen Jetta, met kenteken [kenteken 1] ) voorhanden hebben gehad en/of ter beschikking hebben gesteld en
- de woningen/panden gelegen aan [adres 1] te Amsterdam en [adres 2] te Amsterdam en [adres 3] te Diemen ter beschikking hebben gesteld waarvan verdachte en/of verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
5.Bewijs
alleverdachten is tenlastegelegd dat de periode waarin de criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro heeft bestaan, eindigt op 5 april 2014. Dat is het moment waarop de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn aangehouden.
alleverdachten zich hebben schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisaties als bedoeld in artikel 140 Sr Pro en/of deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) OW.
ná5 april 2014 ligt alleen de vraag voor of de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] zich in die periode schuldig hebben gemaakt aan (verdere) deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) OW, gericht op voorbereiding van – kort samengevat – cocaïnehandel.
Op 28 november 2013 zijn er wederom gesprekken met [persoon 13] . [medeverdachte 5] (‘ [bijnaam 4] ’)vraagt hem: ‘Jongen de kat, laatste prijs 25’, waarop [persoon 13] zegt: ‘Ik zal kijken wat die mensen zeggen, en er is nog vis beschikbaar. Voor welk getal kan jij mij dat uiterlijk geven?’ [medeverdachte 5] (‘ [bijnaam 4] ’) antwoordt: ‘8 en een half.’ Het gesprek gaat verder over ‘ster’, ‘vis’, ‘kater’, betalen, en wat het kost.
- [bijnaam 3] ( [medeverdachte 1] ),
- [bijnaam 4] ( [bijnaam 4] , [medeverdachte 5] ),
- [medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ),
- [bijnaam 8] . ( [medeverdachte 2] ) en
- [bijnaam 6] ( [medeverdachte 4] )
6.Strafbaarheid van de feiten
7.Strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straf
first offenderis. Onder verwijzing naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, acht hij voor feit 1 zeven weken gevangenisstraf passend en voor feit 2 vijf tot negen maanden gevangenisstraf en een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft hij de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte slechts chauffeur was. De meerwaarde bij de strafoplegging van feiten 4 en 5 ziet de raadsman niet. De eis van vier jaar gevangenisstraf is naar zijn mening disproportioneel hoog gelet op de rol van verdachte. Tot slot merkt de raadsman op dat verdachte niet terug moet naar de gevangenis, waarbij het tijdsverloop en de omstandigheid dat hij goed is geresocialiseerd een rol spelen.
eindvonnis binnen twee jaarnadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die bijzondere omstandigheden kunnen zien op
9.Beslag
10.Voorlopige hechtenis
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
12.Beslissing
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
43 maanden..