Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2017 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Financiën, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
moetentreden. Verweerder heeft bij de beoordeling van het verzoek een ruime beoordelingsvrijheid, zoals verweerder heeft gesteld. Dat betekent echter niet dat de uitkomst van die beoordeling geen besluit is. Dat volgens verweerder het verzoek van eiseres nergens toe kan leiden, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat geen sprake is van een besluit dat op rechtsgevolg is gericht. Het rechtsgevolg in deze situatie is dat Nederland en Duitsland niet verplicht zijn met elkaar in overleg te treden. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 2 juni 2016 daarom een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en had inhoudelijk op het bezwaar moeten beslissen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden.
.