ECLI:NL:RBAMS:2017:9347

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
14 december 2017
Zaaknummer
13/665224-17 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en oplegging ontnemingsmaatregel wegens diefstal met valse sleutel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 december 2017 een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling wegens diefstal met een valse sleutel. De officier van justitie vorderde vaststelling en betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op €1.261,32.

Tijdens de terechtzitting van 28 november 2017 werd het bewijs besproken, waaronder aangifte en bankafschriften van het slachtoffer. Hieruit bleek dat veroordeelde op 12 juni 2017 bedragen van €1.000,00 en €250,00 had gepind bij twee banken en op 13 juni 2017 €11,32 had afgeschreven voor een parkeertransactie, wat de rechtbank als het wederrechtelijk verkregen voordeel aanmerkte.

De verdediging verwees naar het eerdere oordeel van de rechtbank zonder verdere betwisting van het bedrag. De rechtbank stelde het bedrag van €1.261,32 vast als wederrechtelijk verkregen voordeel en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen.

De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, bestaande uit voorzitter J.P.W. Helmonds en rechters M. Vaandrager en P. Farahani. Het vonnis werd uitgesproken in een openbare zitting.

De onderbouwing van de ontnemingsvordering was opgesteld door officier van justitie M. Diependaal en diende als basis voor de vordering.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op om €1.261,32 aan de Staat te betalen als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/665224-17 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 december 2017
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665224-17, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [BRP-adres] ,
thans gedetineerd in het “ [Huis van bewaring] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2017.

2.De vordering

Onderzoek van de zaak
De vordering van de officier van justitie van 2 november 2017 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.261,32.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het onder 2 ten laste gelegde feit waarvoor
veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2017 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld.
Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie vindt haar grondslag in de onderbouwing ontnemingsvordering van 16 oktober 2017. [1] De conclusie van deze onderbouwing luidt dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.261,32 bedraagt.
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, omdat verdachte heeft bekend het geldbedrag wederrechtelijk van [slachtoffer] te hebben weggenomen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de ontnemingsvordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ontleent de hoogte van het geldbedrag aan de aangifte en de bankafschriften van aangever [slachtoffer] . Hieruit is gebleken dat veroordeelde op 12 juni 2017 bij de ING [locatie] een bedrag van € 1.000,00 en bij de ABN AMRO een bedrag van € 250,00 heeft gepind en dat op 13 juni 2017 € 11,32 is afgeschreven voor een parkeertransactie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 1.261,32.

5.De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 1.261,32.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7.Beslissing

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.261,32.
Legt op aan veroordeelde de verplichting tot
betalingvan
€ 1.261,32 (zegge duizendtweehonderdéénenzestig euro en tweeëndertig cent)aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en P. Farahani, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2017.

Voetnoten

1.Onderbouwing ontnemingsvordering van 16 oktober 2017, opgesteld door officier van justitie M. Diependaal.