Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
veroordeelde,
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Vordering
3.Grondslag van de vordering
4.Wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 1.500-.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafzaak waarin veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en gekwalificeerde diefstal in drie zaken. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €3.416, maar wijzigde dit tot €1.616. De rechtbank nam het standpunt van de verdediging over om de opbrengsten van de zaken te delen door twee vanwege medeplegen.
De opbrengst van zaak 2 werd buiten beschouwing gelaten omdat veroordeelde daarvoor werd vrijgesproken. De rechtbank berekende het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt: zaak 3 en 12 elk €650 en zaak 13 €250, totaal €1.500. De rechtbank zag geen reden om de vorderingen van benadeelde partijen op dit bedrag in mindering te brengen omdat deze nog niet voldaan waren.
Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht legde de rechtbank veroordeelde de verplichting op om €1.500 aan de Staat te betalen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 8 maart 2018.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €1.500 aan de Staat te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.