ECLI:NL:RBAMS:2018:2333
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken tot verdeling gemeenschap van goederen na echtscheiding wegens onvoldoende onderbouwing
De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin partijen na hun echtscheiding verzoeken indienden met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van goederen en schulden. De rechtbank had eerder de echtscheiding uitgesproken en de verdeling aangehouden.
De vrouw verzocht om vaststelling van de verdeling op basis van een nader te overleggen voorstel, terwijl de man vroeg om verdeling van een schuld bij de ING bank. De rechtbank stelde dat partijen hun verzoeken moesten concretiseren en onderbouwen met relevante documenten.
De vrouw deed dit niet tijdig en slechts een formulier 'Verdelen en verrekenen' overleggen werd als onvoldoende beschouwd. Gezien de lange duur van de procedure en het ontbreken van een concreet verzoek, wees de rechtbank haar verzoek af. Het verzoek van de man werd eveneens afgewezen omdat schulden niet afzonderlijk verdeeld kunnen worden en ieder voor de helft aansprakelijk blijft.
De rechtbank bepaalde dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen. De beschikking werd uitgesproken door rechter J. Kloosterhuis in aanwezigheid van griffier S.J. van der Veen op 18 april 2018.
Uitkomst: Verzoeken tot verdeling van schulden en gemeenschap van goederen worden afgewezen wegens onvoldoende concretisering en onderbouwing.