Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[naam eiser] , te Amsterdam, eiser
WERK & IK B.V., te Amsterdam, hierna belanghebbende.
Rechtbank Amsterdam
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering te herzien op grond van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV had vastgesteld dat eiser per 8 oktober 2015 binnen vijf jaar toegenomen arbeidsongeschikt was geworden, wat leidde tot een wijziging van zijn uitkeringsklasse. Eiser betoogde dat het onderzoek van het UWV niet zorgvuldig was verlopen en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name ten aanzien van het beginsel van reformatio in peius.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn bezwaren onvoldoende had onderbouwd en dat de algemene verwijzing naar onzorgvuldigheid niet volstond. Het UWV had de wijziging van de uitkering met een uitlooptermijn van twee maanden toegelicht, wat volgens vaste rechtspraak geen schending van het verbod van reformatio in peius inhoudt. Eiser had geen medische of arbeidskundige gronden aangevoerd om zijn standpunt te ondersteunen.
Verder wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat de toegekende vergoeding door het UWV in overeenstemming was met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de toepasselijke wegingsfactoren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak werd mondeling gedaan op 13 april 2018.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het herzieningsbesluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.