ECLI:NL:RBAMS:2018:2431

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
16 april 2018
Zaaknummer
AMS 17/7091
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken schriftelijke onderhuurovereenkomst voor huurtoeslag 2015

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen het terugvorderen van een te veel betaalde huurtoeslag over 2015. De Belastingdienst had het recht op huurtoeslag definitief vastgesteld en het teveel betaalde voorschot teruggevorderd. Eiseres stelde dat zij een kamer aan medebewoners had onderverhuurd op basis van een schriftelijke overeenkomst.

De rechtbank oordeelde dat de overgelegde verklaringen niet voldeden aan de vereisten van een schriftelijke huurovereenkomst, omdat deze niet vooraf waren opgesteld, niet door beide partijen waren ondertekend en geen tegenprestatie voor het gebruik van de kamer bevatten. Hierdoor kon eiseres niet aannemelijk maken dat sprake was van onderhuur.

De rechtbank bevestigde dat de Belastingdienst de medebewoners terecht had betrokken bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag. Tevens wees de rechtbank op het wettelijke karakter van de terugvordering en de mogelijkheid voor eiseres om een persoonlijke betalingsregeling te verzoeken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van huurtoeslag 2015 wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een schriftelijke onderhuurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 17/7091
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2018 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Amstelveen, eiseres

(gemachtigde: P.M. van Moort),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: A. Koullali).

Procesverloop

Met het besluit van 9 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op huurtoeslag voor het jaar 2015 definitief vastgesteld op € 1.340,- en het te veel aan eiseres betaalde voorschot van € 2.793,- (inclusief rente) teruggevorderd. Met het besluit van 11 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde verklaringen niet voldoen aan de vereisten om van een schriftelijke huurovereenkomst te kunnen spreken. Zo zijn de verklaringen niet op voorhand opgesteld en niet door beide partijen ondertekend. Ook zijn eiseres en [de persoon 1] dan wel [de persoon 2] daarin niet een tegenprestatie van de huurder voor het gebruik van de kamer overeengekomen. Dit betekent dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het jaar 2015 op basis van een schriftelijke overeenkomst tot onderhuur aan [de persoon 1] en/of [de persoon 2] een kamer heeft verhuurd. Dit betekent dat verweerder zowel [de persoon 1] als [de persoon 2] terecht als medebewoner heeft aangemerkt en hun inkomen terecht bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag van eiseres heeft betrokken.
3. In de wet is dwingend bepaald dat, indien een herziening van een voorschot leidt tot een terugvordering, de belanghebbende het bedrag van die terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van terugvordering af te zien, ook niet als de belanghebbende zich op nijpende financiële omstandigheden beroept. De rechtbank wijst eiseres nog wel op de mogelijkheid verweerder te verzoeken om het treffen van een persoonlijke betalingsregeling.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S. Boomhouwer, griffier, op 13 april 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.