De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 april 2018 een vordering tot overlevering van een persoon met de Nederlandse en Turkse nationaliteit aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 37 maanden opgelegd door de correctionele rechtbank Antwerpen.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde diens dubbele nationaliteit. Gezien de Nederlandse nationaliteit werd de overlevering alleen toegestaan indien voldaan werd aan de voorwaarden van de Overleveringswet, waaronder het verstrekken van garanties dat de opgeëiste persoon na overlevering de mogelijkheid krijgt rechtsmiddelen in te stellen en dat de straf in Nederland kan worden uitgezeten.
De rechtbank concludeerde dat het vonnis een verstekvonnis betreft en dat de Belgische autoriteiten de vereiste garanties hebben gegeven over betekening en informatie over verzet- en beroepsmogelijkheden. Tevens werd een garantie ontvangen dat de opgeëiste persoon, indien onherroepelijk veroordeeld, de straf in Nederland zal ondergaan.
De rechtbank stelde vast dat de feiten strafbaar zijn volgens Nederlands recht en dat het onderzoek naar detentieomstandigheden in België geen aanleiding gaf tot weigering van overlevering. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.