ECLI:NL:RBAMS:2018:2998

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
13/751680-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OverleveringswetArt. 23 OverleveringswetArt. 29 Overleveringswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie bij ingetrokken Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Hongarije. De procedure omvatte meerdere zittingen waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door raadsman en tolk. Tijdens de procedure werd het EAB ingetrokken door de Hongaarse autoriteiten.

De raadsman verzocht de rechtbank de behandeling aan te houden om nadere informatie te verkrijgen over de intrekking, mede vanwege mogelijke gevolgen voor een andere lopende procedure. De officier van justitie sloot zich aanvankelijk aan bij dit verzoek, maar stelde zich later op het standpunt dat zij niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege de intrekking van het EAB.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het EAB de grondslag voor de vordering tot overlevering heeft doen vervallen, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vordering. De rechtbank zag geen reden om de procedure aan te houden en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot behandeling van het ingetrokken Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummers: 13/751680-16 (EAB V)
RK nummers: 16/6225 (EAB V)
Datum uitspraak: 17 april 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet van 5 september 2016, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering strekt tot het in behandeling nemen van een EAB, uitgevaardigd op 2 augustus 2016 door
the Court of Miskolc(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1966,
laatstelijk opgegeven woonadres:
[adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 27 oktober 2016, 8 augustus 2017, 14 december 2017 en 3 april 2018.
Het verhoor van 27 oktober 2016 heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. V.A. Groeneveld en een tolk in de Hongaarse taal.
Het verhoor van 8 augustus 2017 heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. Y. Karga en een tolk in de Hongaarse taal.
Het onderzoek van 14 december 2017 heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek en de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
Het onderzoek van 3 april 2018 heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van officier van justitie mr. R. Vorrink en de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. V.A. Groeneveld. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
De rechtbank heeft de termijn verlengd waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Uit een brief van de Hongaarse autoriteiten van 21 februari 2018 volgt dat onderhavig EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit (
the Court of Miskolc)is ingetrokken bij beslissing van 12 december 2017.
De raadsman heeft betoogd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om na te vragen wat de achtergrond is van de intrekking van het EAB. Er zou in deze zaak een gevangenisstraf van 10 jaar zijn opgelegd en er loopt mogelijk nog een procedure in hoger beroep. Het mag natuurlijk niet zo zijn dat de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering op basis van EAB IV (gelijktijdig behandeld onder parketnummer: 13/751678-16), toch nog geconfronteerd wordt met de strafrechtelijke procedure die ten grondslag ligt aan EAB V, dat inmiddels is ingetrokken.
De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het aanhoudingsverzoek van de raadsman; zij zou – gelet op het verloop van de procedure tot nu toe – willen navragen waarom het EAB is ingetrokken.
Nadat de rechtbank het aanhoudingsverzoek ter zitting van 3 april 2018 heeft afgewezen en de raadsman zijn verzoek heeft herhaald, heeft de officier van justitie zich – gelet op de intrekking van het EAB – op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.
De rechtbank overweegt dat met de intrekking van het EAB, zoals volgt uit voornoemde brief van 21 februari 2018, de grondslag aan de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van onderhavig overleveringsverzoek, is komen te ontvallen. De rechtbank is van oordeel dat dit enkel tot de conclusie kan leiden dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in haar vordering; de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

4.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 17 april 2018.
De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.