ECLI:NL:RBAMS:2018:3012

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
13/692008-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn bij vervolging witwassen en heling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 april 2018 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van witwassen en heling in de periode van september 2009 tot september 2010. De officier van justitie vorderde niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte en zijn raadsman waren niet aanwezig bij de zitting en hebben zich niet tegen deze vordering verzet.

De feiten hangen samen met een eerder groot onderzoek waarbij verdachte op 30 augustus 2011 reeds is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en zes maanden voor soortgelijke feiten. Door een fout van het Openbaar Ministerie was deze vervolging destijds niet meegenomen. Gezien het tijdsverloop en de eerdere veroordeling zou een inhoudelijke behandeling nu enkel kunnen leiden tot een vonnis zonder straf of maatregel op grond van artikel 9a Sr.

De rechtbank acht het economisch en praktisch onverantwoord om de zaak inhoudelijk te behandelen gezien de beperkte uitkomst en de schaarse zittingscapaciteit. De officier van justitie heeft daarom terecht gevorderd tot niet-ontvankelijkheid, waaraan de verdediging geen bezwaar maakte. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Datum uitspraak: 26 april 2018
Parketnummer: 13/692008-11
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2018.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Jironet-Loewe, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Verdachte noch zijn raadsman, mr. S.J. Jansen, advocaat te Amsterdam, zijn ter zitting verschenen.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen en heling in de periode van 8 september 2009 tot en met 8 september 2010, respectievelijk 22 juli 2010 tot en met 8 september 2010.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, nu de feiten samenhangen met een ander groot onderzoek waarin op 30 augustus 2011 vonnis is gewezen. Onderhavige feiten hadden destijds, samen met de overige feiten, behandeld moeten worden. Door een fout aan de kant van het Openbaar Ministerie is dit niet gebeurd. Gelet op het tijdsverloop is het niet opportuun om verdachte voor onderhavige feiten alsnog te vervolgen, aldus de officier van justitie.
De rechtbank overweegt als volgt.
Wanneer de officier van justitie in onderhavige situatie niet gevolgd wordt in haar eis het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, moet de zaak opnieuw op een zitting worden gepland voor een inhoudelijke behandeling. Gelet op de ten laste gelegde feiten, het feit dat verdachte bij eerder genoemd vonnis (voor soortgelijke feiten) reeds is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar en zes maanden, waardoor artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) bij een veroordeling van toepassing zou zijn, als ook het forse tijdsverloop, zou een dergelijke inhoudelijke behandeling – mits het tot een bewezenverklaring komt – enkel kunnen resulteren in een vonnis waarbij geen straf of maatregel wordt opgelegd op basis van artikel 9a Sr.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten die met een dergelijke exercitie zijn gemoeid – administratieve voorbereiding, (inhoudelijke) voorbereiding door advocaat, OM en rechtbank, zittingstijd, uitwerking van het vonnis –, mede gelet op het belang van het zo efficiënt mogelijk gebruikmaken van schaarse zittingscapaciteit, beter kunnen worden besteed.
De rechtbank ziet in deze omstandigheden en de omstandigheid dat de officier van justitie om haar eigen niet-ontvankelijkheid heeft verzocht en de verdediging zich daartegen niet heeft verzet, dan ook aanleiding de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.

4.Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.H.G. Odink, voorzitter,
mrs. E.G. Fels en A.C.J. Klaver, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2018.