Eiseres diende op 11 juli 2017 een aanvraag in voor bijzondere bijstand bij verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Verweerder stelde dat de aanvraag niet was ontvangen en wees de aanvraag af. Eiseres stelde verweerder vervolgens in gebreke, waarop verweerder reageerde dat zij niet in gebreke was en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Eiseres ging in beroep tegen beide besluiten.
Tijdens de zitting op 15 mei 2018 verklaarde een medewerker van de gemachtigde van eiseres onder ede dat de aanvraag daadwerkelijk in de brievenbus van de gemeente was gedeponeerd. De rechtbank achtte dit aannemelijk gemaakt mede door ondersteunende foto’s en verzendadministratie. Verweerder betwistte niet dat de aanvraag in de brievenbus was achtergelaten, maar stelde dat het risico van niet-ontvangst bij eiseres lag.
De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende bewijs had geleverd dat de aanvraag was verzonden en vernietigde de bestreden besluiten. Verweerder werd opgedragen binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.