De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 juni 2018 een verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Leuven. De verdachte werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, een strafbaar feit volgens Belgisch recht en opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet (OLW).
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte correct was en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De Belgische autoriteiten gaven de noodzakelijke terugkeergarantie dat de verdachte, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze in Nederland zal ondergaan. De rechtbank bevestigde dat het feit ook onder Nederlands recht strafbaar is, waardoor aan de dubbele strafbaarheidsvoorwaarde is voldaan.
De verdediging voerde onder meer niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan en klaagde over de lange duur van de procedure en detentieomstandigheden in België. De rechtbank verwierp deze verweren en verwees naar eerdere jurisprudentie over detentieomstandigheden. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en de geldigheid van het EAB, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.