Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De verdere procedure
2.De verdere beoordeling
€ 75,-
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak over partneralimentatie, afwikkeling van huwelijkse voorwaarden en verdeling van gemeenschappelijke goederen na echtscheiding. Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen. De vrouw verzocht om partneralimentatie en verrekening van vermogensbestanddelen, terwijl de man zich verweerde met onder meer het ontbreken van lotsverbondenheid en draagkracht.
De rechtbank stelde vast dat de lotsverbondenheid niet was verbroken en wees het verzoek tot partneralimentatie toe tot een bedrag van €3.018 bruto per maand, rekening houdend met het bruto minimumloon dat de vrouw geacht wordt te kunnen verdienen. De man had onvoldoende bewijs geleverd van zijn draagkracht, waardoor de rechtbank aannam dat hij voldoende draagkracht had.
Verder oordeelde de rechtbank dat de aandelen van de onderneming van de man uit overgespaard inkomen waren gefinancierd en wees het verzoek tot verrekening af. De onroerende zaken werden getaxeerd en er werden duidelijke regels gesteld voor toedeling, verkoop en verdeling van opbrengsten en schulden. De gemeenschappelijke inboedel werd verdeeld door om en om een goed te kiezen, de caravan werd aan de man toegekend en de auto aan de vrouw met een vergoeding aan de man.
De rechtbank wees verzoeken tot schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.
Uitkomst: De man dient €3.018 bruto per maand aan partneralimentatie te betalen en de verdeling van huwelijkse voorwaarden en gemeenschappelijke goederen wordt geregeld volgens de beschikking.