ECLI:NL:RBAMS:2018:5107

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2018
Publicatiedatum
18 juli 2018
Zaaknummer
cvexpl 18-2250/6609600
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:58 lid 2 onder 2 BWArt. 7:75 BWArt. 7:76 BWArt. 7:77 lid 1 aanhef en onder a BWRichtlijn 2008/48
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument wint vordering kredietvergoeding en afwijzing vertragingsvergoeding bij flitskrediet

Eiseres heeft een vordering ingesteld tegen gedaagde, een consument, tot betaling van €300,- aan hoofdsom van een kortlopende kredietovereenkomst, vermeerderd met rente en vertragingsvergoeding. Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter beoordeelde ambtshalve of de kredietovereenkomst onder de reikwijdte van Richtlijn 2008/48 en Titel 7:2A BW valt. Hoewel het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald, is de rentehoogte zodanig dat geen sprake is van onbetekenende kosten, waardoor de bepalingen van Titel 7:2A BW van toepassing zijn.

De gevorderde hoofdsom en kredietvergoeding worden toegewezen. De vertragingsvergoeding wordt echter afgewezen omdat het beding daarvoor onredelijk bezwarend is en het vermoeden van een oneerlijk beding niet is weerlegd. Ook incassokosten worden afgewezen omdat deze niet afzonderlijk in rekening mogen worden gebracht.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van €300,00 plus wettelijke rente, rente van €4,52, proceskosten en een nasalaris onder voorwaarde van betekening en niet-betaling binnen 14 dagen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en rente, vertragingsvergoeding en incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijk beding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 6609600 CV EXPL 18-2250
vonnis van: 20 juli 2018
fno.: 393

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de vennootschap naar buitenlands recht Palden Finance OÜ Lietuvos Filialas

gevestigd te Vilnius, in Litouwen
eiser
gemachtigde: E.A.P. van Lith
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde
niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij exploot van dagvaarding van 22 januari 2018 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 300,00 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
Bij tussenvonnis van 2 maart 2018 eiseres in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen en nadere stukken in het geding te brengen.
Eiser heeft op 20 maart 2018 een akte ingediend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Eiseres vordert onder meer betaling van € 300,00 aan opgeëiste kredietsom, vermeerderd met een overeengekomen vertragingsvergoeding.
Gedaagde woont in [woonplaats] , zodat de kantonrechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
Eiseres stelt dat zij met gedaagde een kleine, kortlopende lening is overeengekomen. Het geleende geld diende inclusief de daarover verschuldigde rente binnen 30 dagen te worden terugbetaald. Gedaagde heeft het bedrag inclusief rente niet binnen de gestelde 30 dagen aan eiseres terugbetaald.
Gedaagde is een consument. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 2008/48 om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplicht de nationale bepalingen waarin de richtlijn is omgezet, ambtshalve toe te passen. (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van Titel 7:2A BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet.
De kantonrechter dient daarom ambtshalve te beoordelen of de onderhavige kredietovereenkomst onder de reikwijdte van richtlijn en Titel 7:2A BW valt.
Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder Pro 2 BW zijn de bepalingen van Titel 7:2A BW niet van toepassing op een krediet dat binnen drie maanden dient te worden terugbetaald en waarvoor onbetekenende kosten worden gerekend.
Partijen zijn een kredietovereenkomst aangegaan op grond waarvan gedaagde het krediet binnen drie maanden moet terugbetalen.
Gelet op de hoogte van de overeengekomen rente is er naar het oordeel van de kantonrechter echter geen sprake van het in rekening brengen van onbetekenende kosten. Mitsdien valt onderhavige overeenkomst onder de reikwijdte van Titel 7:2A BW, met dien verstande dat op grond van artikel 7:75 BW Pro alleen artikel 7:76 en Pro artikel 7:77 lid 1 aanhef Pro en onder a BW van toepassing zijn.
Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is. De vordering met betrekking tot overeengekomen kredietvergoeding gedurende de looptijd van de overeenkomst, die het ingevolgde artikel 11 Besluit Pro Kredietvergoeding maximaal toegestane percentage niet te boven gaat, is eveneens toewijsbaar.
Met betrekking tot de gevorderde overeengekomen vertragingsvergoeding overweegt de kantonrechter als volgt.
Eiseres beroept zich op een beding dat is opgesteld om in een of meerdere overeenkomsten te worden opgenomen. De kantonrechter dient daarom op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C 243/08) en de Hoge Raad (13-09-2013 ECLI:NL:HR:2013:691) ambtshalve te beoordelen of het beding oneerlijk is.
Gelet op de bijlage bij Richtlijn 93/13, artikel 1, aanhef en onder e, wordt het opleggen van een onevenredig hoge schadevergoeding wegens het niet nakomen van verbintenissen door een consument aangemerkt als een vermoedelijk oneerlijk beding. De door eisende partij gestelde omstandigheden maken de contractuele rente (vertragingsrente) die door eisende partij in rekening wordt gebracht over het gehele openstaande saldo en die gelijk is aan de bedongen kredietvergoeding, niet redelijk.
Onder het begrip kredietvergoeding in de zin van de wet vallen immers verschillende soorten vergoedingen voor de duur van de looptijd van de geldlening, waaronder kosten van tussenpersonen, incasso en dienstverlening ( MvT Tweede kamer 1986-1987,19785 nr 3). Gesteld noch gebleken is dat eisende partij deze kosten na tussentijdse beëindiging van de kredietovereenkomst nog maakt, zodat niet kan worden uitgesloten dat eisende partij in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand blijven van de overeenkomst. Het rechtsvermoeden dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding is dan ook niet weerlegd. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad moet dit beding daarom buiten toepassing worden gelaten, zodat de vordering die op dit beding is gegrond niet toewijsbaar is.
Op grond van artikel 7:76 BW Pro mag de kredietgever geen afzonderlijke buitengerechtelijke kosten bij kredietnemer in rekening brengen. Nu de gemachtigde van eisers bij aanmaning van de hoofdsom toch incassokosten in rekening heeft gebracht, wordt het gevorderde salaris gemachtigde afgewezen. Dat de incassokosten bij dagvaarding niet gevorderd worden doet daar niet aan af.
Mitsdien wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van:
- € 300,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2018 tot aan de voldoening;
- € 4,52 aan rente;
veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op:
€ 119,00 aan griffierecht;
€ 84,09 aan exploitkosten
----------------
€ 203,09 in totaal
één en ander, voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt gedaagde tot betaling van een bedrag van € 15,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier
De kantonrechter