Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De zitting
2.De beschuldiging
3.De zaak
4.De bewezenverklaring
5.De oplegging van straf
6.De wet
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, vijfde lid van de Wet milieubeheer’.
valsheid in geschrift’.
Rechtbank Amsterdam
Verdachte, een rechtspersoon die als tussenpersoon handelde bij het vervoer van plastic afval met plantaardige vervuiling, werd beschuldigd van overtreding van de EVOA en valsheid in geschrift. Op 1 maart 2016 constateerden Belgische milieu-inspecteurs dat een container sterk verontreinigd plasticafval bevatte, waarvoor geen juiste kennisgeving of toestemming was verkregen, in strijd met de EVOA.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte onjuiste informatie had verstrekt op het begeleidende formulier (Bijlage VII) door te vermelden dat het afval onder Bazelcode B3010 viel, terwijl dit niet het geval was. Dit vormde valsheid in geschrift. De rechtbank sprak verdachte echter vrij van het deel van de tenlastelegging dat betrekking had op het vermelden van een juridisch bindend contract en van medeplegen, omdat de contracten wel juridisch bindend waren en geen bewijs was voor betrokkenheid van andere partijen.
De officier van justitie vorderde een geldboete van €5.000, maar de rechtbank zag af van strafoplegging vanwege het faillissement van verdachte, waardoor een boete niet effectief zou zijn en de belangen van concurrente schuldeisers zwaarder wogen. De rechtbank verklaarde verdachte schuldig, maar legde geen straf of maatregel op.
Uitkomst: Verdachte werd schuldig verklaard maar er werd geen straf of maatregel opgelegd vanwege faillissement.