ECLI:NL:RBAMS:2018:6035
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande met één kostendeler en woont sinds drie jaar op het adres van een hoofdbewoner. Verweerder heeft op grond van een rechtmatigheidsonderzoek en een huisbezoek geconcludeerd dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met de hoofdbewoner en dat het gezamenlijke inkomen hoger is dan de bijstandsnorm. Daarom is de uitkering per 16 mei 2018 ingetrokken.
Verzoeker stelt dat hij zich op het verkeerde been gezet voelt over het doel van het huisbezoek en dat hem een hersteltermijn had moeten worden geboden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het begrip gezamenlijke huishouding objectief moet worden beoordeeld en dat uit het rapport blijkt dat sprake is van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke huishoudingstaken, het delen van kosten en het gebruik van de woning.
De intrekking van de uitkering kan naar verwachting in bezwaar standhouden en verweerder was niet verplicht verzoeker vooraf te waarschuwen. Verzoeker kan een nieuwe aanvraag indienen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.