ECLI:NL:RBAMS:2018:6036

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 augustus 2018
Publicatiedatum
21 augustus 2018
Zaaknummer
AWB - 18/4300 18/4301
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 2 CAO Fondsen cao Particuliere BeveiligingArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake dispensatieverzoek CAO Particuliere Beveiliging

Verzoekers, bestaande uit meerdere beveiligingsbedrijven, hebben beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd tegen de beslissing van de stichting van het Fonds cao Particuliere Beveiliging om hen geen dispensatie te verlenen van de op hen toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).

De stichting wees het verzoek af omdat verzoekers een eigen fonds willen opbouwen en daarom geen premie willen afdragen aan de stichting. De voorzieningenrechter moest beoordelen of hij bevoegd was kennis te nemen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de stichting niet krachtens publiekrecht is ingesteld en daarom geen bestuursorgaan is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beslissing van de stichting is een privaatrechtelijke handeling, ook al is de CAO algemeen verbindend verklaard. Hierdoor is geen sprake van een appellabel besluit en is bezwaar en beroep bij de bestuursrechter uitgesloten.

De voorzieningenrechter verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekers dienen zich te wenden tot de burgerlijke rechter, die aan deze beslissing gebonden is. De uitspraak werd gedaan op 22 augustus 2018 door voorzieningenrechter H.J. Tijselink.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van dispensatie door de stichting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 18/4300 en AMS 18/4301
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[bedrijf 1] te Amsterdam,

[bedrijf 2]. te Venray,
[bedrijf 3]te Ridderkerk,
[bedrijf 4]te Sittard,
[bedrijf 5]te Maastricht,
[bedrijf 6]te Valkenswaard,
[bedrijf 7]te Maastricht,
samen te noemen verzoekers,
(gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink),
en

[Stichting] , de stichting,

(gemachtigde: mr. M.H.D. Vergouwen).

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend in verband met de beslissing van de stichting om hen geen dispensatie te verlenen van de op hen van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Aan de zijde van verzoekers is nog verschenen [de persoon 1] . De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [de persoon 2] .

Overwegingen

De aanleiding voor het verzoek
1. Op verzoekers zijn van toepassing de door de minister van sociale zaken en werkgelegenheid op 30 juni 2015 algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst Fondsen cao Particuliere Beveiliging (de CAO). Verzoekers hebben niet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Minister), maar de stichting om dispensatie verzocht van de bepalingen van de CAO, kort gezegd omdat verzoekers een eigen fonds hebben en dat willen opbouwen. Dit is niet mogelijk is als ook premie moet worden afgedragen aan de stichting.
2. De stichting heeft het verzoek afgewezen en dat aan verzoekers bericht bij brief van 17 april 2018. De reactie daarop van verzoekers van 26 april 2018 heeft bij de stichting niet tot een ander standpunt geleid, zoals blijkt uit het mailbericht van 24 mei 2018 namens de stichting.
Het verzoek
2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd hen toe te laten tot de bezwaarfase en de stichting op te dragen de inning van de premiebetaling op te schorten.
De beoordeling door de voorzieningenrechter
3.1
De voorzieningenrechter zal eerst moeten bezien of hij wel bevoegd is om van het bij hem ingestelde verzoek/beroep kennis te nemen. De stichting en verzoekers hebben op dit punt hun standpunten uiteengezet. De stichting meent geen bestuursorgaan te zijn, en in het verlengde daarvan dat geen sprake is van een appellabel besluit als omschreven in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verzoekers menen dat vanwege de algemeen verbindendverklaring van de CAO de stichting wel gezien moet worden als bestuursorgaan en dat een appellabel besluit in de zin van de Awb wel degelijk voorligt.
3.2
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de stichting niet krachtens publiekrecht ingesteld. De stichting kan daarom niet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
3.3
Verzoekers zien het zo dat nu de CAO algemeen verbindend is verklaard, de stichting met openbaar gezag is bekleed daar waar het gaat om het verlenen van dispensatie van de bepalingen van de CAO.
3.4
De bevoegdheid om te beslissen op een dispensatieverzoek vloeit echter rechtstreeks voort uit artikel 2, onder 2 van de CAO en berust niet op een publiekrechtelijke regeling. Anders gezegd: ook indien de CAO niet algemeen verbindend zou zijn verklaard, zou de stichting de bevoegdheid hebben om te beslissen op een verzoek om dispensatie van de CAO, nu de CAO zelf daarin voorziet.
De algemeen verbindendverklaring van de CAO maakt die beslissing niet tot een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het beoogde publiekrechtelijke rechtsgevolg ontbreekt ook. Van een “ander persoon of college” als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, is daarom evenmin sprake. Dat gevolg is er wel bij een dispensatiebesluit van de Minister, maar dat maakt niet dat dan aangenomen moet worden dat dat ook is verbonden aan beslissingen van de stichting.
De voorzieningenrechter wijst in dit verband nog op de uitspraak van deze rechtbank van 17 januari 1997 (ECLI:NL:RBAMS:1997:ZF2666) die op de zitting met partijen is besproken. Verzoekers hebben ook desgevraagd tegen deze uitspraak geen argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel van de voorzieningenrechter zouden moeten leiden.
3.5
De weigering van de stichting om dispensatie te verlenen is dan ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Tegen deze beslissing staat, ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb in samenhang met artikel 7:1 van Pro de Awb, dus geen bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter open.
3.6
Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend hangende beroep bij de bestuursrechter van de rechtbank. Onder die omstandigheden biedt artikel 8:86 van Pro de Awb de mogelijkheid tevens op het beroep te beslissen. De voorzieningenrechter zal van die bevoegdheid gebruik maken en zichzelf en de rechtbank, rechtsprekende in bestuursrechtelijke zaken, onbevoegd verklaren.
De rechtsverhouding tussen verzoekers en de stichting wordt beheerst door het privaatrecht en verzoekers dienen zich daarom te wenden tot de burgerlijke rechter.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:71 van Pro de Awb is de burgerlijke rechter aan deze beslissing gebonden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en van het verzoek om voorlopige voorziening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.