Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering aan België op grond van Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Hasselt. De zaak betrof een strafrechtelijk onderzoek in België en de opgeëiste persoon was gedetineerd in Nederland zonder vaste verblijfplaats.
Tijdens de procedure werd het onderzoek tijdelijk geschorst vanwege onzekerheid over stakingen onder het gevangenispersoneel in België en de mogelijke impact daarvan op detentieomstandigheden. Na heropening van het onderzoek concludeerde de rechtbank dat er geen sprake was van omstandigheden die strijdig zijn met artikel 4 vanPro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden waren. De overlevering werd daarom toegestaan, met de kanttekening dat het Openbaar Ministerie rekening zal houden met eventuele toekomstige stakingen en dat de opgeëiste persoon in dat geval een verzoek tot opschorting kan indienen.
De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751425-18
RK-nummer: 18/3559
Datum uitspraak: 23 augustus 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 mei 2018 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, waarnemend voor mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat op 2 augustus 2018 om 12:30 uur uitspraak zal worden gedaan.
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 2 augustus 2018 het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst totdat meer duidelijkheid kon worden verschaft door de uitvaardigende justitiële autoriteit over de uitkomst van de onderhandelingen met de bonden van het gevangenispersoneel in België omtrent de nieuwe regelgeving en de (structurele) gevolgen hiervan voor de detentieomstandigheden.
Het onderzoek is voortgezet op de openbare zitting van 23 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg.
2.Tussenuitspraak 2 augustus 2018
De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 2 augustus 2018 waarin al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten. Deze oordelen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3.Detentieomstandigheden in België (stakingen)
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de verzochte overlevering. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering.
De rechtbank is onder verwijzing naar haar uitspraak van 14 augustus 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5937) van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een toestand die strijdig is met artikel 4 HandvestPro van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Strikt genomen ten overvloede merkt de rechtbank op dat het Openbaar Ministerie heeft toegezegd bij de feitelijke overlevering rekening zal houden met eventuele nieuwe stakingen en de opgeëiste persoon zich in dat geval alsnog tot de officier van justitie kan wenden met het verzoek om de feitelijke overlevering te laten opschorten.
4.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
5.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
6.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en A.P. Sno, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 augustus 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.