Op 26 mei 2017 ontstond een conflict tussen verdachte en aangever in Amsterdam, waarbij aangever meerdere wonden opliep en een hersenschudding kreeg na een geweldsincident door een groep jongens. Verdachte had een confrontatie met aangever voorafgaand aan het geweld, waaronder het bespuwen van de autruit en het opsteken van de middelvinger.
De officier van justitie en de raadsman van verdachte stelden beiden dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte daadwerkelijk geweld heeft gebruikt. Getuigen konden verdachte niet concreet aanwijzen als dader van de geweldshandelingen, en verdachte ontkende betrokkenheid bij het geweld.
De rechtbank oordeelde dat ondanks de kwalijke rol van verdachte als aanleiding van het incident, het bewijs onvoldoende is om hem te veroordelen voor openlijke geweldpleging of medeplegen van poging tot zware mishandeling. De verklaring van verdachte dat hij bewusteloos raakte na een duw werd niet geloofd, maar dit was onvoldoende om tot een veroordeling te komen. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak.