Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
(de rechtbank begrijpt: 17 december 2017)heeft hij om een tosti en een chocomel gevraagd en die gratis gekregen, aldus zijn eigen verklaring. Deze lezing komt niet overeen met die van slachtoffer [persoon 4] . Zij beschrijft dat de man, met een tatoeage van een krokodil in zijn gezicht, zeer dwingend was en vroeg of hij alles gratis mocht hebben. Verdachte heeft ter zitting ontkend bij deze gelegenheid het slachtoffer te hebben aangeraakt. De rechtbank hecht geen waarde aan deze ontkenning. Hoewel er naast de aangifte van het slachtoffer geen direct bewijs in het dossier voorhanden is, beschouwt de rechtbank dit feit in onderling verband en samenhang bezien met het onder 2. ten laste gelegde. Dat feit is kort na het onder 4. ten laste gelegde feit gepleegd. De leidinggevende van de bakkerij, [getuige 2] , die op 2 januari 2018 werkzaam was, wist van het gebeuren op 17 december 2017 met [persoon 4] . Ook was zij op de hoogte van het signalement van de dader. Op 2 januari 2018 kwam verdachte wederom in de zaak. Verdachte heeft zich toen vrijwel hetzelfde gedragen als op 17 december 2017. Zijn verklaring dat hij het slachtoffer [persoon 2] heeft gevraagd of hij haar een knuffel mocht geven en dat zij hem dat toestond, gelooft de rechtbank niet. De rechtbank stelt op grond van de aangifte van [persoon 2] en de verklaring van [getuige 2] vast dat sprake is geweest van dwang. In het verlengde van die verklaringen komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaar.