ECLI:NL:RBAMS:2018:6799
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid bij comparitie
In deze zaak verzocht de vereffenaar van de nalatenschap van een overleden gedaagde om wraking van de rechter die een comparitie liet doorgaan terwijl hij niet aanwezig kon zijn. De procedure tussen de vereffenaar en eiseres was geschorst en niet hervat, en de vereffenaar was niet opgeroepen voor de comparitie. De wrakingskamer overwoog dat procesbeslissingen in beginsel niet tot wraking leiden, tenzij sprake is van onjuistheid of onbegrijpelijkheid die wijst op vooringenomenheid.
De rechtbank stelde vast dat de comparitie was gepland met inachtneming van de door de vereffenaar opgegeven verhinderdata en dat uit de processtukken mocht worden afgeleid dat de procedure tegen de vereffenaar werd voortgezet. De afwezigheid van de vereffenaar bij de comparitie leidde daarom niet tot schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Ook de vermeende opmerkingen van de rechter tijdens de comparitie konden niet zonder meer worden aangenomen als bewijs van vooringenomenheid.
De wrakingskamer concludeerde dat de beslissing van de rechter niet onbegrijpelijk was en dat er geen objectieve reden was om aan de onpartijdigheid van de rechter te twijfelen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen omdat geen objectieve aanwijzingen voor rechterlijke partijdigheid zijn vastgesteld.