ECLI:NL:RBAMS:2018:6853
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen
Verzoekster had een bijstandsuitkering die door de gemeente Amsterdam werd ingetrokken per 1 juli 2016, omdat zij aanzienlijke bedragen op een spaarrekening had staan. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitkering weer te ontvangen in afwachting van de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter onderzocht of er een spoedmaatregel nodig was en oordeelde dat de gemeente terecht had vastgesteld dat verzoekster over vermogen beschikte. Verzoekster stelde dat zij het geld slechts in bewaring had voor haar oom, maar kon dit onvoldoende onderbouwen door het ontbreken van bankafschriften en een onvoldoende gedetailleerde verklaring.
Hoewel verzoekster financiële problemen en zorg voor drie minderjarige kinderen aanvoerde, vond de voorzieningenrechter dat dit geen reden was om de intrekking voorlopig ongedaan te maken. De gemeente had verzoekster meerdere malen de gelegenheid gegeven om bewijs aan te leveren.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering is afgewezen.