Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig [eiseres] en
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
2.De feiten
[boek 1]dat in juni 2018 is uitgegeven door [de uitgeverij] (hierna het boek). Het boek is een vervolg op het boek
[boek 2], dat in 2017 eveneens door [de uitgeverij] is uitgegeven. Beide boeken bevatten een bundeling van eind jaren ’90 door [de schrijfster] geschreven faxen die zij destijds heeft verzonden aan [naam 4] .
3.Het geschil
I.
primair[de uitgeverij] te bevelen het drukken en verspreiden van het boek met daarin de onder 2.2 genoemde passages te staken en gestaakt te houden, onder meer door hiertoe een schriftelijk verzoek te doen aan al haar afnemers;
subsidiair[de uitgeverij] te bevelen ervoor zorg te dragen dat het boek uitsluitend verkrijgbaar is voorzien van een sticker met daarop de volgende tekst:
RECTIFICATIEIn dit boek, dat als non-fictie wordt gepresenteerd, wordt de moeder van schrijfster beschuldigd van ernstige misdragingen, zoals verwaarlozing van haar kinderen en bedreiging van haar echtgenoot met een mes. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat deze beschuldigingen geen steun vinden in het ter beschikking staande feitenmateriaal en dat de publicatie van deze beschuldigingen onrechtmatig is, en heeft ons veroordeeld tot het doen van deze rectificatie.[de uitgeverij][naam 2] , [functie]II. indien de primaire vordering onder I niet wordt toegewezen [de uitgeverij] te bevelen de onder 2.2 genoemde passages niet op te nemen in eventuele volgende drukken van het boek;
III. [de uitgeverij] te veroordelen tot betaling van € 2.000,- als voorschot op de schadevergoeding;
IV. een en ander op straffe van dwangsommen; en
V. met veroordeling van [de uitgeverij] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.De beoordeling
dewaarheid, maar
haarwaarheid. Waar het de onder 2.2 gewraakte passages betreft bestaat
haarwaarheid bovendien voor een groot deel uit subjectieve waardeoordelen over [eiseres] . Die waardeoordelen komen er – samengevat weergegeven – op neer dat [eiseres] de schrijfster heeft gekleineerd en een afkeer van haar heeft (passage 1), dat de schrijfster haar moeder bijna heeft gehaat en dat haar moeder niet van haar hield (passage 5), dat de schrijfster haar moeder vreemd vindt (passage 6) en dat de schrijfster vindt dat haar moeder het seksueel misbruik van haar andere dochter heeft gebagatelliseerd (passage 7). Van [de uitgeverij] kan niet worden gevergd dat zij aannemelijk maakt dat dergelijke waardeoordelen steun vinden in de feiten. Waardeoordelen zijn immers naar hun aard niet voor bewijs vatbaar.
980,00