ECLI:NL:RBAMS:2018:8115
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens schending recht op eerlijk proces door vormverzuimen in verhoor minderjarige verdachte
In deze strafzaak stond verdachte, minderjarig ten tijde van het ten laste gelegde feit, terecht voor seksuele delicten. Tijdens het verhoor op 8 april 2016 werd verdachte onterecht als getuige gehoord, terwijl er al voldoende aanwijzingen waren om hem als verdachte te behandelen. Hierdoor kon verdachte geen gebruik maken van zijn rechten als verdachte, zoals het recht op advocaat en zwijgrecht.
De verdediging stelde dat dit een ernstige schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De officier van justitie erkende de schending en onderschreef eveneens dat niet-ontvankelijkheid passend was.
De rechtbank oordeelde dat de verbalisanten van meet af aan een redelijk vermoeden van schuld hadden en verdachte dus als verdachte hadden moeten aanmerken. Het niet naleven van de verbaliseringsplicht en het doelbewust misleiden van de verdediging en rechtbank vormden ernstige en onherstelbare vormverzuimen. Gezien de ernst van deze tekortkomingen verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige vormverzuimen bij het verhoor van verdachte.